gevonden: 5 boeken

 
BÖLL, HEINRICH
Het brood van mijn jeugd
Amsterdam/Brussel, Elsevier, 1974. Paperback 20x13. 3e druk. 112 blz. Vertaald uit het Duits door Vic Stalling. 'Probeer je maar eens in te denken hoe zo'n meisje zich voelt… ze is twintig jaar en ze komt naar de stad om voor onderwijzeres te studeren'. Dit schreef een vader aan zijn in de grote stad werkende zoom met het verzoek zich over een streekgenote te ontfermen. Walter, specialist in het herstelen van wasmachines, is financieel welvarend, maar de materiële beslommeringen leggen beslag op heel zijn wezen. Wanneer hij op een dag een meisje uit zijn geboorteplaats aan het station moet afhalen, raakt hij dadelijk verliefd op haar. 'Ik kwam enkele minuten te laat aan het station en zag dat er een meisje op een koffer zat. Ze had donker haar en haar mantel was zo groen als gras… het leek me onbegrijpelijk dat nog een man gezien zou hebben hoe mooi ze was'..
-- Bob Petersen BoekenProfessionele verkoper
Boeknummer: B3873
€  4.00
Trefwoorden: Roman

 
DEUTMANN & ZN.
Portrait of Johann Gottfried Hendrik Mann, photographed by Deutmann & Zn., Amsterdam.
Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1892. Original phototype, 14,7 x 10,5 cm on original mount, lichtdruk Emrik & Binger, Haarlem, with 18 pages text by Henri Viotta, musical notes and list of works, folio, original illustrated wrappers by K. Sluyterman. Johann Gottfried Hendrik Mann (Den Haag, 15 juli 1858 - 10 februari 1904) was een Nederlandse componist, dirigent en pianist. De componist en dirigent Johan Gottfried Hendrik Mann (1858-1904), behoort tot de groep Nederlandse toonkunstenaars die na hun dood totaal in de vergetelheid is geraakt. Als kind vertoonde de op 15 juli 1858 geboren Mann al een grote aanleg voor muziek. Zijn ouders schakelden, nadat hij de eerste beginselen van het pianospel van zijn moeder Geertruida Hieronima van Convent ten Oever (1827-1899) kreeg, Karel Emile Wagner (1825-1889) in om hem op de piano en in de theorie les te geven. Wagner, zelf een niet onverdienstelijke componist, gaf de jonge Gottfried ook compositielessen. De trotse vader Johan Herman Mann (1827-1911) stuurde van zijn nog maar 13-jarige zoon stiekem een aantal composities naar zijn neef, de Duitse dichter Friedrich Emil Rittershaus (1834-1897), die ze vervolgens doorspeelde naar de Duitse componisten Max Bruch, Carl Reinecke en Ferdinand von Hiller. In 1872 schreef Bruch in een brief aan mevrouw Rittershaus: Es hat mich sehr gefreut, die Sonate Ihres jungen holländischen Freundes kennen zu lernen. Nach meiner Ansicht spricht sich ein entschiedenes Talent darin aus, und man darf hoffen, dass der noch so jugendliche Autor bei fortgesetztem Fleiß und unter verständiger Leitung später noch manches Gute leisten wird. Ondanks het feit dat er een paar maal sprake van is geweest dat Gottfried Mann bij Max Bruch in Bonn in de leer zou gaan, is het er niet van gekomen. In hetzelfde jaar kwam de componist en dirigent van het Gewandhausorchester in Leipzig, Carl Reinecke, op bezoek bij de familie Mann. Hij wilde kennismaken met het talent dat hij zag in de nog zo jonge componist. In 1874 werd hij door zijn ouders ingeschreven aan de Koninklijke Muziekschool, het latere Koninklijke Conservatorium, in Den Haag. De directeur Willem Frederik Gerard Nicolaï verzorgde de theorie- en compositielessen, terwijl Gottfried nog een jaar les kreeg van Wagner. Na het eerste jaar stapte hij voor de pianolessen over naar Carel L. W. Wirtz (1843-1935). In 1878 dirigeerde hij een eigen compositie, zijn Ouverture Jan Woutersz, ter afsluiting van zijn studie. Orkestdirectie studeerde Mann weliswaar niet, maar in de 19e eeuw was het niet ongebruikelijk dat componisten hun eigen werken dirigeerden. Orkestervaring deed hij op als altviolist in het orkest van het Théâtre Royal Français de La Haye in Den Haag. Toen Mann in 1878 de Koninklijke Muziekschool verliet adviseerde directeur Nicolaï hem om niet naar een ander Conservatorium te gaan, maar een reis naar het buitenland te maken. Zijn reis begon in Duitsland en in het najaar van 1879 vertrok Mann naar Parijs. Hoewel zijn muziek sterk onder invloed van de grote Duitse componisten bleef staan, raakte hij toch gefascineerd door de moderne Franse school. In Parijs leerde hij onder andere Camille Saint-Saëns, Léo Delibes en Jules Massenet kennen. Alle drie collega’s waren van dezelfde leeftijd en een generatie ouder dan Mann. In 1882 werd Mann benoemd tot dirigent van het pas opgerichte Amsterdamse orkest de Vereenigde Toonkunstenaren. Na de ontbinding van dit orkest in 1883, maakte Mann de overstap naar de net nieuw gebouwde Parkschouwburg. Deze schouwburg kreeg een nieuw orkest, het Nieuwe Parkorkest, dat naast Gottfried Mann onder leiding kwam te staan van Willem Kes. In 1884, nadat Kes met ruzie met de directie was vertrokken, componeerde Mann zijn balletsuite De droom van den Klokkenluider die meer dan 70 opvoeringen beleefde voor volle zalen. In slechts vier weken tijd had hij de muziek voor dit ballet geschreven. In december 1884 ging zijn juist voltooide Symfonie in d kleine terts opus 87, die hij aan Jules Massenet had opgedragen, in première. De Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst bekroonde de symfonie met een erepremie van vijf dukaten. In de zomer van 1885 componeerde Mann zijn klarinetconcert dat hij aan de beroemde Nederlandse klarinettist Christiaan Kriens opdroeg. In november ging het concert waarschijnlijk al in première, want het Leidsch Dagblad meldt dat de heer Graff in Leipzig zijn klarinetconcert zal uitvoeren. Of het concert toen ook al in druk is verschenen is niet bekend. Mogelijk werden de partijen eerst met de hand uitgeschreven, die dan later werden gebruikt om de druk er van te maken. Op hetzelfde concert zou ook zijn symfonie worden uitgevoerd. De Parkschouwburg was in het voorjaar failliet gegaan, en Mann was weer naar zijn geboortestad Den Haag teruggekeerd. Tot ieders verbazing solliciteerde Mann op de vacature van kapelmeester van het Stafmuziekkorps van het 4e Regiment Infanterie en na een vergelijkend examen werd hij uit een twintigtal kandidaten gekozen. Zijn naaste omgeving vreesde echter dat hij met deze benoeming zijn talenten te grabbel zou gooien. Onder hen was de dirigent Willem Stumpff die zijn eerste composities in Amsterdam in première had gebracht. Stumpff schreef hem dat hij als belangstellende in zijn talent hem moest afraden bij een militair corps te gaan, tenzij dat de Grenadiers of het Schutterijcorps te Rotterdam ware. In den regel zijn die corpsen zóó min dat ik het voor uwe gaven bejammeren zou, indien gij daaronder te loor gingt. In 1887 benaderde het Bestuur van Sempre Crescendo, het studentenorkest van de Universiteit van Leiden, Gottfried Mann, om het orkest weer uit het slop te halen. Mann ging deze uitdaging aan, en binnen heel korte tijd wist hij de harten van de musici te winnen. Het orkest maakte daarna een ongekende bloei door. Hij kende vele goede musici en haalde beroemde collega’s naar Leiden om als solist met het orkest op te komen treden. Eén van de hoogtepunten is 1897 geweest waar het orkest het vijfde pianoconcert van Beethoven uitvoerde met Willem Mengelberg als solist. Voor het Stafmuziekkorps van het 4e Regiment schreef Gottfried tientallen werken. Naast de gebruikelijke marsen en arrangementen componeerde hij vele operafantasieën. Hij had ook grote naam gemaakt met deze fantasieën, want de encyclopedieën waar zijn naam nog in voorkomt roemen hem juist om dit genre. Na zijn ontslag als kapelmeester gaf hij toestemming om kopieën te maken van zijn composities. Een aantal van zijn operafantasieën zijn bewaard gebleven maar worden, in verband met de veranderde tijdgeest, helaas niet meer uitgevoerd. Ook als dirigent van het strijkorkest maakte hij grote naam. In de zomer van 1893 nam hij zijn ontslag als kapelmeester van het 4e Regiment nadat hij in datzelfde voorjaar een eigen muziekschool, zijn "Muziek Instituut", in Leiden had opgericht. De leerlingen konden onderwijs krijgen in viool, cello, piano en theorie. Kort na de opening telde zijn instituut al 50 leerlingen. In deze periode begon Mann zich als pianist ook steeds meer toe te leggen op het begeleiden van bekende musici. Van onder andere Catharina van Rennes, Christiaan Timmner de concertmeester van het Concertgebouworkest, en Josef Orelio de beroemde bariton van de Nederlandsche Opera, was hij de begeleider. In het voorjaar van 1894 werd Gottfried Mann door het bestuur van het Concertgebouw geëngageerd tot het dirigeren van de concerten in de open lucht en de zoogenaamde "populaire concerten" te Amsterdam gedurende de maanden mei tot september. Bovendien zou hij alle concerten dirigeren tijdens het jaarlijks verlof van Willem Kes, in juli en augustus. Op 24 juni dirigeert hij onder andere zijn eigen klarinetconcert met Anton Blitz als solist. In het voorjaar van 1896 volgt Mann Simon J. H. de la Fuente op als tweede dirigent van de Nederlandsche Opera in Amsterdam. Opvallend is dat Mann slechts opera’s van Franse componisten dirigeert. Van de ruim 20 producties die de Nederlandsche Opera in het seizoen 1896-1897 op de planken zet, neemt hij er slechts vijf voor zijn rekening. In het seizoen van 1896/1897 was Mann tevens dirigent bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Toneel. Hier leerde hij de, uit het nog immer bekende toneelgeslacht, actrice Theo Bouwmeester kennen. Het gezelschap voerde het toneelstuk Koning Oedipus van Sophocles uit dat met begeleiding van een groot orkest dat onder leiding van Mann stond. In het najaar van 1898 vroeg Gottfried haar ten huwelijk, maar in verband met haar 25-jarig jubileum in Amsterdam voltrok het huwelijk zich pas op 1 juni 1899. Theo Bouwmeester zou tot haar dood de naam Mann blijven gebruiken. Na één seizoen bij Cornelis van der Linden houdt Mann het voor gezien en maakt de overstap naar de nieuw opgerichte Sociétaire Noord- en Zuid-Nederlansche Opera-Vereeniging van Johannes George de Groot, vermoedelijk vanwege een positieverbetering van tweede naar eerste dirigent. Of ook andere redenen hier aan ten grondslag liggen blijft wat vaag, want in het voorjaar van 1897 was er ook sprake van dat Mann naar Groningen zou overgaan om J. H. Bekker op te volgen bij de Groningse Harmonie. Na veel wikken en wegen ziet hij van een betrekking in Groningen af en blijft hij vooralsnog in Amsterdam. Hij verkast van de Amsterdamse Stadsschouwburg naar de Parkschouwburg. Geen onbekende plek, want in 1883/84 is hij hier tenslotte al dirigent van het Parkorkest geweest. Ook bij De Groot dirigeert Mann op een enkele uitzondering na, alleen Franse opera’s. Opvallend is dat een aantal van deze opera’s die hij bij de Nederlandsche Opera heeft gedirigeerd, nu weer terug op het programma komen. De onderneming was echter geen lang leven beschoren, het doek viel al na een paar maanden. In november 1897 moest Georges de Groot zijn ambities opgeven en de deuren sluiten. In het voorjaar van 1897 maakte Mann met Josef M. Orelio een tournee door het land met uitsluitend Nederlandse liederen. Niet minder dan 27 werken van Nederlandse componisten stonden er op het programma. De ster van Mann als componist begon ondertussen ook steeds meer te rijzen. Ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina der Nederlanden componeerde hij een Kroningsmarsch, die uit de vele inzendingen als beste werd uitgekozen. Niet alleen alle muziekverengingen en militaire kapellen hebben deze mars op hun repertoire gezet, op het nationaal feestconcert op 31 augustus 1898 zal het door het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg tot klinken worden gebracht. Ook het Berlijns Philharmonisch Orkest onder leiding van Josef Rebicek zal het op dezelfde avond uitvoeren in Scheveningen. Mann componeerde naast zijn klarinetconcert uit 1885 ook nog een concertstuk voor klarinet met orkest op. 109, en op verzoek van de aan het conservatorium van Gent werkzame Nederlandse professor en vioolvirtuoos Johan Smit, componeerde hij een concert voor viool en orkest. Dit concert, zijn opus 101, is echter niet aan Smit opgedragen, maar aan de eerste violist van het Böhmische Streichquartett, Karel Hoffmann (1872-1936). In november 1900 gaven Mann en Hoffmann een aantal recitals in Amsterdam en Den Haag. Hoffmann aanvaardde de opdracht, en zijn oordeel over het vioolconcert was eenvoudig: "herrliche Musik". Het is echter onwaarschijnlijk dat Hoffmann het concert met orkest ooit heeft uitgevoerd. De partituur is in februari 1901 geïnstrumenteerd, en er is voor zover bekend geen uitvoeringsmateriaal van dit concert overgeleverd. Theo Mann-Bouwmeester schrijft in haar biografie "Mijn leven" dat haar echtgenoot het vioolconcert voor Martin Wolters geschreven heeft, maar op dit punt lijkt zij zich dus te vergissen. Overigens is Eduard Reeser een stuk minder enthousiast over het vioolconcert. Uit latere tijd dateert zijn vioolconcert op. 101, waarin tussen veel goedkoops en oppervlakkigs - een reeks chromatisch dalende verminderde-septime akkoorden, vier maten achtereen, klonk bij Liszt al afgezaagd! - momenten voorkomen, die zonder twijfel een zekere bekoring kunnen uitoefenen. Reeser bespreekt hier het klavieruittreksel, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat hij het schreef ongeveer 50 jaar na ontstaan van de compositie. Een grote veranderde tijdsgeest ten aanzien van muziek, en zeker als het gaat om de kijk op Nederlandse componisten moeten wij zijn kritische blik met enige reserve opvatten. In dat licht moeten we misschien ook de kritische kanttekeningen van Sem Dresden zien, die schrijft over Mann: een neiging [-] naar den Franschen stijl was iets ongewoons en hetgeen bij lateren, toen de muziek in Frankrijk zich meer en meer ging ontwikkelen juist nieuw en frisch bloed heeft kunnen geven, was bij hem van geen beteekenis. Zijn liederen zijn, men heeft het vaak gezegd, niets anders dan nabootsingen van Massenet. Van dirigeren kwam het de laatste jaren van zijn leven niet veel meer. Hier en daar deed hij nog wel losse gastdirecties maar een vaste betrekking bij een orkest zat er niet in. Of hij daar nog actief mee bezig is geweest blijft vooralsnog gissen. Hij dirigeerde nog wel de concerten van Sempre Crescendo en was betrokken bij Maatschappij de Toekomst, maar het begeleiden van musici van achter de piano en het componeren ging steeds meer tijd in beslag nemen. Zo werkte hij jarenlang aan zijn opera Malaenis. Op verschillende momenten wordt de opera aangekondigd, regelmatig valt te lezen dat het werk bijna af is. Maar helaas zijn behalve het voorspel en vrouwenkoor geen andere delen tot een opvoering gekomen. Al deze werkzaamheden zorgden ervoor dat Mann langzamerhand overwerkt begon te raken. Het sloopte zijn zenuwen. In de zomer van 1901 had het echtpaar de gebruikelijke vakantiereis door een aantal Europese landen moeten uitstellen. Mevrouw Mann zag dat haar altijd zo zachtmoedige echtgenoot steeds prikkelbaarder en nerveuzer werd. Ze besloten om naar Scheveningen te gaan. Maar na een aantal weken werd de toestand niet beter en schakelde ze haar broer, de eveneens zeer bekende toneelspeler Louis Bouwmeester in, om eens naar haar echtgenoot te kijken. Hij zag de ernst van de situatie in, en samen met een zenuwarts vertrokken de drie mannen op 2 juli 1901 naar het Gesticht Coudewater in Rosmalen. Zijn eerste verblijf zou drie maanden duren. Na zijn ontslag op 29 september gaat hij aansterken bij zijn vader in Den Haag. Het lijkt er op dat hij ook de maanden na zijn ontslag flink heeft doorgewerkt, want hij heeft zijn opera weer ter hand genomen. Mann zou in een afrondende fase zijn zodat de Nederlandsche Opera nog een uitvoering in hetzelfde seizoen zou kunnen geven. Tijdens het concert ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van Sempre Crescendo op 3 december 1901 wilde Mann zijn Ouverture Freia en het Vioolconcert programmeren. Als solist in het concert stond Bram Eldering gepland. Beide werken kwamen echter niet op het programma. Wel voerde het orkest een nieuwe compositie van zijn dirigent uit, de Canzone op. 118 voor viool en orkest, een compositie uit 1900. Op 10, 11 en 12 januari 1902 was het Driedaagsch Nederlands Muziekfeest in het Concertgebouw, georganiseerd door de Toonkunst afdeling Amsterdam. Op dit muziekfeest werden uitsluitend werken uitgevoerd van Nederlandse componisten. (...Wikipedia).
-- KRUL Antiquarian BooksProfessionele verkoper
Boeknummer: 56964
€  72.00
Trefwoorden: photo netherlands

 
MULTATULI (= EDUARD DOUWES DEKKER (1820-1887)).
sMax Havelaar, of de Koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, door Multatuli. [Tweede druk uit 1860 in originele banden van uitgeverskarton].
Amsterdam, J. de Ruyter, 1860, 2e druk, 2 delen, (6),212; (4),185 pag., origineel uniform bedrukt soepel karton, onafgesneden, groot octavo (23,2 x 14,2 cm.).= Begeerlijk exemplaar van de echte tweede druk (dus niet de zogeheten "dubbeldruk"), verschenen in hetzelfde jaar als de eerste druk en geheel uniform daarmee. Mooie set in originele kartonnen banden met vakkundig gerestaureerde ruggen van wellicht het belangrijkste en meest invloedrijke werk uit de Nederlandse literatuur. Zelf schreef Multatuli vanuit zijn hotelletje in Brussel op 13 oktober 1859 aan zijn vrouw dat Max Havelaar af was. ‘Lieve hart mijn boek is af, mijn boek is af! Hoe vind je dat? Ik moet nu copieren maar het boek is af. En ik sta U borg dat het opgang maakt. Het zal als een donderslag in het land vallen dat beloof ik je.’Het werk kent een interessante drukgeschiedenis, zoals hierna te lezen (bron: Wikipedia). De eerste druk verscheen 14 mei 1860 in twee delen bij uitgeverij J. de Ruyter in Amsterdam. De oplage van 1300 exemplaren werd op groot octavo gedrukt bij drukkerij Van Munster en Zonen op een snelpers. De set werd verkocht voor 4 gulden, een heel bedrag in die tijd - veel gezinnen moesten daar een week of langer van rond zien te komen. Het duurde even, maar toen kwam er een "rilling door het land". Ondanks de vrij hoge prijs, werden de 1300 exemplaren van de eerste editie zeer goed verkocht. Nog hetzelfde jaar bleek een tweede editie nodig. Dekker drong er bij De Ruyter op aan, dat die volgende editie een "volkseditie" zou worden: vele duizenden exemplaren en een lage prijs, zodat het boek een ruime verspreiding zou kunnen krijgen, en ook wilde Dekker dat er exemplaren naar de "Oost" zouden worden gestuurd. Er kwam geen reactie. Dekker beklaagde bij Van Lennep, maar ook die liet niets horen. Dekker was hierover zeer ontstemd, want zo kreeg het boek zeker niet de verspreiding waarop hij gehoopt had.In hetzelfde jaar verscheen de tweede druk. Uiterlijk van het boek en de typografie bleven gelijk. De pagina-indeling en regels braken op identieke manier af, zodat het lijkt of het van hetzelfde zetsel als van eerste druk is gedrukt. Toch is het boek geheel opnieuw met de hand gezet. Het boek werd wederom in twee delen uitgegeven. Op 8 november 1860 verscheen het eerste deel; deel twee volgde op 22 november. De precieze oplage is onbekend, maar lag vermoedelijk ergens tussen 700 en 1200 stuks. De prijs voor twee delen was f 4,-.Van deze tweede druk bestaat er een "dubbeldruk". Uiterlijk en typografie van het boek zijn identiek, de titelpagina vermeldt nog steeds "Tweede druk". Het boek is echter geheel opnieuw - met de hand - gezet. De dubbeldruk is te herkennen aan de zetfout in regel 5 van het eerste hoofdstuk: "lieve lezers" in plaats van "lieve lezer". Deze in 1985 door mevrouw A. Kets-Vree ontdekte oplaag, compliceert de drukgeschiedenis van het boek. Over het hoe en waarom van deze "stiekeme" extra druk, kan enkel gegist worden. Zeer wel mogelijk zag de Ruyter op tegen een nieuw proces, als hij een "derde" druk zou aankondigen. Hoeveel er van deze "geheime" dubbeldruk zijn gedrukt, is onbekend. Maar gezien het vele werk en de hoge kosten van het drukken, zal het werkelijke aantal exemplaren zeker niet onder hebben gedaan voor de andere drukken.
-- Fahrenheit 451Professionele verkoper
Boeknummer: #1405
€  2000.00
Trefwoorden: Indonesië Nederlands Indië Nederlandse literatuur Nederlandse literatuur (Indië) geschiedenis

9789059113350 T. TETTEROO, P. TETTEROO, K. VAN BILSEN, Dagboek op toiletpapier. Een leven bij de Papoea's
T. TETTEROO, P. TETTEROO, K. VAN BILSEN
Dagboek op toiletpapier. Een leven bij de Papoea's
Aspekt B.V. Uitgeverij. Paperback. Pp: 311. 'Ik kon een soort pad ontdekken. Na een paar uur lopen zag ik vanaf een heuvel een dorp. In het midden zat een groep mannen. Zo snel als ik kon rende ik de heuvel af, met maaiende armen. Alle mannen sloegen op de vlucht, behalve twee van hen die als aan de grond genageld zaten. Ik ging direct naast hen zitten en bleef maar praten, om aan te geven dat ik met geode bedoelingen kwam, want iemand die op de grond zit, is weerloos. Ik gaf hen ieder een spiegeltje.Zij hadden nooit een gekleed persoon gezien. Het lukte mij om vriendschap te sluiten. Die twee gingen daarna de andere mannen reopen. Vrouwen en kinderen kwamen pas later te voorschijn. Ik kon verblijven in het huis van een van de 'notabelen'. Na een paar dagen gaf hij mij de schedel van zijn vader - als ik hem goed begrepen heb - om te gebruiken als hoofdkussen. Men gaf mij te eten. Ik voelde mij daar geaccepteerd.'Van 1937 tot 1992 was de franciscaan Tom Tetteroo missionaris bij de Papoea's. Hij schreef zijn memories, en werd ge erviewd door zijn neef Peter Tetteroo, journalist bij de KRO. Daarnaast ging zijn achternicht Kiki van Bilsen terug naar de Papoea'a om te kijken hoe de personage van de pater verder leeft na zijn vertrek. Tom Tetteroo is 94 en woont in een kloosterbejaardenoord in Warmond.Adembenemend relaas van een jonge pater die in het diepe dook.Onvoorstelbaar dat iemand dit allemaal in mensenleven kan meemaken. Pater Tetteroo beschrijft gebeurtenissen die beurtelings schokkend en hilarisch zijn, diep dramatische momenten afgewisseld met gekoesterde lichtpuntjes, steeds benaderd vanuit de onverwoestbaar optimistische visie dat het leven uiteindelijk altijd weer iets te bieden heeft. Bijna altijd. ISBN: 9789059113350. Cond./Kwaliteit: Goed.
-- De SlegteProfessionele verkoper
Boeknummer: 467009
€  8.00
Catalogus: Geschiedenis
Trefwoorden: 9789059113350

9789044635331 PETER VANDERMEERSCH, Ik zou zo graag van jullie houden. Een Vlaming op zoek naar Nederland
PETER VANDERMEERSCH
Ik zou zo graag van jullie houden. Een Vlaming op zoek naar Nederland
Prometheus. Paperback. Pp: 288. In juni 2010 ruilde Peter Vandermeersch zijn baan als hoofdredacteur van De Standaard voor die van hoofdredacteur van NRC en verruilde hij Brussel voor Amsterdam. Intussen overweegt hij ook serieus om zijn Belgische paspoort om te ruilen voor dat van Nederland.In dit boek gaat hij op zoek naar het Nederland waar hij zo van wil houden. Hij kwam terecht in het debat over Zwarte Piet en zag hoe Oranje niet meer lijkt te kunnen voetballen. Hij leerde premier Rutte kennen als 'een man zonder eigenschappen' en telde te weinig vrouwen in de politiek. Hij keek hoe Parijs en Den Haag vochten om twee schilderijen en hoe een Grote Dikke Ik de mensen bezighield. Hij hoorde iemand Nederland vergelijken met het Sicilië aan de Maas en iemand anders Amsterdam met Disney. Maar toen een vriend van hem scherpe kritiek uitte op Nederland, nam hij meteen de verdediging van zijn nieuwe land op zich.Vijf jaar lang schreef Peter Vandermeersch twee keer per maand in De Standaard over Nederland en zijn inwoners. Hij probeert het land te vatten dat hem fascineert en begeestert, passioneert en soms afstoot. Aan Vlamingen probeert hij dit land uit te leggen. De Nederlanders houdt hij een persoonlijke spiegel voor.Peter Vandermeersch (Torhout, 1961) studeerde geschiedenis in Gent, journalistiek in Parijs en politieke wetenschappen aan Harvard. Van 1988 tot 2010 was hij journalist en, sinds 1999, hoofdredacteur van De Standaard. Sinds 2010 is hij hoofdredacteur van NRC Handelsblad, nrc.next en nrc.nl. ISBN: 9789044635331. Cond./Kwaliteit: Redelijk.
-- De SlegteProfessionele verkoper
Boeknummer: 1641021
€  7.50
Catalogus: Waargebeurd
Trefwoorden: 9789044635331

| Pagina's: 1 |